In Onvoorwaardelijk ouderschap neemt Alfie Kohn geen genoegen met losse tips en adviezen over hoe je een kind zover krijgt dat het luistert. Integendeel: hij stelt de opvoeders die deze tips en adviezen wel volgen de vraag: wat leert een kind eigenlijk over onze liefde, door deze manier van opvoeden?
Kohn is Amerikaans auteur en spreker en schrijft al decennia kritisch over straffen, belonen en cijfers kortom, over alles waarmee we gedrag proberen te sturen. In dit boek bundelt hij die kritiek tot één centrale gedachte, en die gedachte zit al in de titel.
Kohn stelt dat kinderen allemaal dezelfde basisbehoefte hebben: dat hun ouders onvoorwaardelijk van hen houden.
En natuurlijk houdt elke ouder van hun kind!
En hoewel dat waar is in de beleving van de ouder, vraagt Kohn: ervaart een kind dat ook door de opvoedtechniek/-stijl van diens ouders?
Ik neem je mee in Kohns kritiek op het behavioristische opvoeden, laat zien waarom hij straffen en belonen in dezelfde categorie plaatst, en bespreek het alternatief dat hij voorstelt: niet iets doen áán je kind, maar samenwerken mét je kind. Tot slot deel ik wat het boek bij mij losmaakte.
De behavioristische erfenis in het opvoeden
Kohn heeft veel kritiek op een paar van de meest gangbare opvoedtechnieken: time-outs, straffen en belonen. Deze opvoedtechnieken, die veel opvoeders nu nog steeds gebruiken, zijn doordrenkt van het behaviorisme van B.F. Skinner.
Behaviorisme is een psychologische stroming die rond 1913 ontstond en die zich uitsluitend richt op waarneembaar gedrag, waarbij de innerlijke wereld van gedachten, gevoelens en motieven buiten beschouwing wordt gelaten.
Een behaviorist zou een kind bekijken als een verzameling van gedragingen die je kunt vormen door de juiste prikkels (straffen en bekrachtigen) toe te dienen.
Bijvoorbeeld: ik zie dat mijn kind steeds in zijn neus peutert, dit gedrag wil ik stoppen. Vanuit behavioristisch opvoeden kan ik hem straffen iedere keer dat hij in zijn neus peutert (minder schermtijd, geen toetjes etc.). Of ik kan hem iedere dag belonen als het hem is gelukt om het niet te doen (sticker, iets lekkers of een compliment) op zijn nieuwe gewenste gedrag.
Kohn omschrijft deze manier van opvoeden als een fundamenteel ontmenselijkende manier om naar kinderen te kijken. Want gedrag is alleen maar het symptoom van iemands binnenwereld. Elk kind dat slaat, liegt of weigert mee te werken, doet dit om een reden: emoties (frustratie, woede, angst), een onvervulde behoefte of machteloosheid.
Wanneer we alleen op het gedrag reageren, met het doel om dit gedrag te veranderen, besteden we geen aandacht aan de binnenwereld van het kind. Met als gevolg dat het kind niet leert waarom iets fout is: het leert alleen welk gedrag wat kost of oplevert.
Enkel op gedrag reageren is hetzelfde als alleen de symptomen van een ziekte bestrijden zonder de oorzaak aan te pakken. Symptomen verdwijnen misschien tijdelijk, maar komen in een andere vorm weer terug.
En hoe is dat voor het kind, als er alleen wordt gereageerd op zijn gedrag, en niet wordt gekeken waaróm het zich zo gedraagt?
De nadelen van time-outs
Neem de time-out, een opvoedtechniek die nog steeds populair is in gezinnen. Maar Kohn noemt dit “liefde onthouden”. Want hoewel de time-out gepresenteerd wordt als een “zachte” straf, onthouden volwassenen feitelijk hun liefde én aanwezigheid wanneer het kind zich misdraagt. De boodschap aan het kind is: “Als je je zo gedraagt, ga ik bij je weg.” of “Als je zo doet, wil ik niet bij je zijn.”
Dat gaat recht in tegen de onvoorwaardelijkheid die volgens Kohn de basis is van een gezonde ontwikkeling. Waar jonge kinderen in hun eerste levensjaren ook daadwerkelijk afhankelijk zijn van de aanwezigheid van hun verzorgers, wordt het onthouden hiervan bij een time-out ingezet om het kind te dwingen zich anders te gedragen.
En naarmate een kind ouder wordt, wordt het minder afhankelijk van de fysieke nabijheid in de vorm van verzorgen, maar de nabijheid van liefde en genegenheid blijft even belangrijk. Als die wordt afgenomen, leert een kind dus dat ouderlijke genegenheid afhangt van gehoorzaamheid of zich ‘goed’ gedragen.
Waarom belonen net zo schadelijk is als straffen
Waar straffen als iets negatiefs en belonen als iets positiefs gezien wordt, plaatst Kohn ze toch in dezelfde categorie.
Hij omschrijft belonen als het evaluerende oordelen waardoor het kind uiteindelijk afhankelijk wordt van externe goedkeuring. Kinderen die steeds geprezen worden noemt Kohn “praise junkies” (complimentverslaafden). Ze doen dingen enkel voor de reactie van de volwassenen om hen heen en niet omdat de activiteit zelf betekenis heeft of omdat ze het zelf willen doen.
Bovendien ondermijnt prijzen vaak de prestatie. Doordat er nu een waardeoordeel vastzit aan het resultaat van de activiteit worden kinderen voorzichtiger, durven ze minder risico’s te nemen en verliezen ze hun plezier in de activiteit zodra die met een beoordeling verbonden raakt. En dat tast hun intrinsieke motivatie aan.
Kohn merkt dat als kinderen beloond werden voor een activiteit, het ze minder om de activiteit ging en meer om de beloning. Verwijder daarna de beloning en de kinderen doen de activiteit minder, zelfs minder dan hiervoor.
Neem een gezin dat in het begin met z’n allen het huis opruimt. De kinderen doen vanzelfsprekend mee, misschien maken ze er zelfs een spelletje van wie het snelste alle knuffels in de doos kan stoppen. Op een gegeven moment willen de ouders hun kinderen extra motiveren en gaan ze ervoor betalen. In eerste instantie lijkt de motivatie dan toe te nemen: de kinderen vragen misschien vaker om op te ruimen en doen hun taken nog sneller.
Maar de nadruk is verschoven: van de activiteit zelf naar de beloning aan het eind. ‘Wanneer dit gedaan is, krijg ik dat.’ En neem je de beloning weg, dan willen de kinderen helemaal niet meer meedoen. Ze kregen er immers altijd iets voor. Dus waarom zouden ze het nu nog doen als er niets meer tegenover staat?
De kritiek van Kohn op behavioristisch opvoeden
Uiteindelijk stelt Kohn het volgende: straffen en belonen zijn vormen van controle op het gedrag van het kind. Je manipuleert een kind als het ware tot ander gedrag door het iets te geven of iets weg te nemen.
“Doe wat ik wil, dan gebeurt er iets prettigs; doe je iets wat ik niet wil, dan gebeurt er iets onprettigs.”
Beide zeggen tegen het kind: jouw gedrag wordt gestuurd door mij, van buitenaf, niet door jouw eigen oordeel en binnenwereld.
En deze technieken werken niet voor de eeuwigheid. Want zelfs al kijk je enkel naar het behaalde resultaat van deze technieken, het gedrag van het kind, geen enkel kind luistert voor altijd en eeuwig naar diens ouders. En willen we niet uiteindelijk dat onze kinderen opgroeien tot volwassenen die voor zichzelf kunnen denken en handelen?
Kohn identificeert drie punten waarom deze aanpak op de lange termijn faalt:
- Ze zijn ineffectief op de lange termijn. Doordat een kind niet leert waarom bepaald gedrag niet oké is, zal het kind (vergelijkbaar) gedrag weer laten zien zodra er geen externe druk is (de volwassene die straft of beloont). Straffen en belonen geven geen blijvende verandering wanneer het toekijkende oog er niet meer is.
- Deze aanpakken beschadigen de relatie. Elke keer dat je een kind straft of manipuleert met beloningen, positioneer je jezelf als tegenstander die iets wil afdwingen, niet als bondgenoot die toewerkt naar een gezamenlijk doel. Die positie ondermijnt de vertrouwensband die juist nodig is om een ander te kunnen beïnvloeden.
- Ze verhinderen de morele en emotionele ontwikkeling. Een kind dat leert “wat levert dit mij op?” ontwikkelt geen intern moreel kompas. Echte ethiek komt van het begrijpen hoe je gedrag anderen raakt, niet van een kosten-batenberekening.
Maar wat dan wel?
Kohn geeft een alternatief: van “doing to” (behaviorisme/straffen en belonen) naar “working with”.
Binnen de behavioristische stijl is de vorm doing to: je doet iets áán het kind om het te laten gehoorzamen (belonen of straffen).
De stijl die Kohn bepleit is working with: je werkt samen mét het kind, vanuit respect voor het kind als volwaardig persoon met eigen gedachten en gevoelens.
Dit vraagt meer tijd, geduld en creativiteit dan een straf uitdelen, maar het is de enige weg naar duurzame, van binnenuit gedreven ontwikkeling, stelt Kohn.
Daarin geeft hij de volgende richtlijnen:
Perspectief nemen
In plaats van te vragen “hoe krijg ik dit kind zover dat het doet wat ik wil?”, vraag je: “wat heeft dit kind nodig, en hoe kan ik daarin voorzien?” Dat vraagt van de opvoeder dat die zich verplaatst in het kind, zijn leeftijd, temperament, situatie, de redenen achter het gedrag. Het vergt dat de opvoeder niet ‘manipuleert’ door te straffen of te belonen én dat de opvoeder niet kijkt naar het gedrag van het kind als een vorm van manipulatie. Die ene driftbui is een symptoom van iets diepers en niet een manier van het kind om te krijgen wat het wil. Het is een uiting van een overweldiging van diens binnenwereld die de opvoeder moet begrijpen en helpen reguleren.
Redenen uitleggen en betekenis geven
Kohn hecht sterk aan wat ontwikkelingspsychologen induction noemen: kinderen uitleggen waarom iets belangrijk is, vooral met nadruk op hoe hun gedrag anderen beïnvloedt. Van de uitleg “Kijk, nu is je zusje verdrietig omdat je haar speelgoed afpakte” leert een kind oneindig veel meer dan van een time-out. Deze aanpak spreekt het inlevingsvermogen en het morele redeneren van het kind aan, en helpt het een intern kompas te vormen in plaats van externe regels te vrezen.
Kinderen betrekken bij besluitvorming en macht delen
Kinderen leren goede keuzes maken door keuzes te máken. Kohn pleit ervoor kinderen zoveel mogelijk mee te laten beslissen over zaken die hen aangaan, van kleine dingen (welke kleren, welke activiteit) tot gezinsbrede afspraken die je samen bespreekt. Autonomie is geen beloning die je verdient door braaf te zijn, maar een basisvoorwaarde voor ontwikkeling. Dit betekent ook dat ouders bereid moeten zijn macht af te staan en het kind serieus te nemen als gesprekspartner.
Onvoorwaardelijkheid actief uitdragen
De rode draad waar Kohn het gehele boek naartoe werkt: het kind moet consequent ervaren dat je liefde niet fluctueert met zijn gedrag. Juist op de moeilijke momenten, bij een driftbui, na iets stouts, moet het kind voelen dat je er nog steeds voor hem bent. Niet “ik hou van je als je lief bent”, maar “ik hou van je, en we lossen dit samen op.” Kohn benadrukt dat onvoorwaardelijke liefde niet betekent dat alles mag. Grenzen mogen bestaan, maar de manier waarop je ze stelt, mag nooit de boodschap afgeven dat jouw genegenheid op het spel staat.
Focus op de lange termijn en op wie het kind wordt
Ten slotte vraagt Kohn ouders om steeds terug te keren naar hun diepste doelen. Wil je een kind dat nú gehoorzaamt, of een volwassene die over dertig jaar zelfstandig, empathisch, veerkrachtig en ethisch in het leven staat? Bijna alle behavioristische technieken dienen het eerste doel ten koste van het tweede. Elke opvoedbeslissing zou getoetst moeten worden aan die langetermijnvraag: draagt dit bij aan het soort mens dat ik hoop dat mijn kind wordt?
Wat vond ik na het lezen van dit boek?
Kohn is erg stellig in Onvoorwaardelijk ouderschap, en op zijn uitgangspunt geef ik hem volledig gelijk: alleen naar het gedrag van een kind kijken en dat willen controleren, is geen duurzame aanpak, niet voor het kind en niet voor de opvoeder.
En hoewel ik het eens was met zijn beredenering dat behavioristisch opvoeden niet optimaal is voor de relatie tussen opvoeder en kind, én voor de ontwikkeling van het kind, raakte ik soms ook geïrriteerd.
Want wanneer Kohn na zijn uitgebreide betoog aankomt bij hoe hij opvoeden als optimaal ziet, snap ik zijn punten en kan ik zelfs zelf bedenken hoe je dat zou kunnen toepassen. Maar hij beschrijft niet hoe dat moet, én dat dit vaardigheden zijn die best pittig kunnen zijn om te leren.
Neem bijvoorbeeld perspectief nemen van een ander, of in dit geval het kind. Dit is een vaardigheid die voor mensen vaak uitdagend is. Het vraagt ons om iemand anders te snappen. En dat is nog moeilijker bij een kind, want dat kan zichzelf niet logisch en soms niet eens verbaal uitleggen. Het vraagt van de opvoeder om een hele moeilijke puzzel, vaak in zijn eentje, uit te vogelen. En dit dan ook nog uren achter elkaar, elke dag. En deze vaardigheid leert niet iedereen, ook niet als er een kind geboren wordt.
Binnen mijn opleiding was dit een van de moeilijkste vaardigheden die we moesten toepassen, en niet een vaardigheid waar we expliciet bij stilstonden. En terwijl ik daar zelf mee bezig was, zag ik ook andere pedagogische werkers hiermee struggelen.
Maar in zijn boek benoemt Kohn nergens dat dit ingewikkeld is. Hij bouwt het boek zo op dat hij eerst uitgebreid een van de meest gebruikte opvoedtechnieken afkraakt, dan zijn eigen opvoedideaal als de norm neerzet en daar bijna geen voorbeelden bij geeft of uitlegt hoe je dit zelf zou kunnen toepassen.
Dat betekent niet dat je deze vaardigheid niet kunt leren of verbeteren binnen het ouderschap. Maar het is lastig als je het toch grotendeels zelf moet uitvogelen.
Ik kan me nog heel goed een situatie herinneren: mijn nichtje logeerde een nachtje bij mij. Ze kwam eind van de middag en zou de volgende dag na de lunch opgehaald worden. Het was het langste wat ik ooit achter elkaar voor een kind had gezorgd.
De eerste dag ging alles goed, ze was blij om er te zijn en ik had alles voorbereid. De dag erna was zij natuurlijk vroeg wakker, en dus ik ook, en hadden we geen programma. In de buurt hebben we een picknickbankje en op de terugweg van de supermarkt vroeg ik of ze zin had om met de lunch daar te picknicken. Dat wilde ze wel, maar thuis wilde ze ook verven. Dat mocht natuurlijk. Toen het tijd werd om de picknick voor te bereiden vroeg ik aan haar: ‘Als je nog wil picknicken moeten we nu de verf opruimen.’
‘Nee, ik wil verven.’
‘Oké, dan gaan we niet meer picknicken. Dus weet je dat zeker?’
Ze knikte en ging weer door met verven. Ik maakte ondertussen de lunch voor thuis klaar. Toen werd het tijd om de verf op te ruimen voor de lunch. En dat leek geen probleem, tot ze, klaar met opruimen, bij de deur stond.
‘Nu gaan we picknicken.’
‘Nee’, zei ik, ‘je koos om verder te verven. Nu hebben we geen tijd meer om te picknicken.’
Ze keek me boos aan.
‘Niet, ik koos dat niet.’
‘Jawel, weet je nog? Ik vroeg of je nog wilde picknicken en dat het dan nu tijd was om de verf op te ruimen. Maar jij was lekker aan het verven dus je wilde verder. En toen zei ik dat we dan niet meer konden picknicken.’
Haar gezicht werd nog bozer.
‘Niet waar, dat zei ik niet.’
Ik wilde mijn (rationele) uitleg opnieuw herhalen, maar zodra ik mijn mond opende, liet ze zich op de grond vallen en begon daar te huilen.
‘Je zei dat we gingen picknicken.’
Ik probeerde haar te troosten én mijn grens te houden.
‘Ik weet het, dat leek je zo leuk hè. Maar daar hebben we nu geen tijd meer voor.’
‘Maar waarom niet?’
‘Omdat het al bijna twaalf uur is, en mama komt jou straks ophalen.’
‘Maar dan kan het toch nu snel?’
‘Nee lieverd.’
‘Dan wil ik dat mama nu komt’, brulde ze, en ze stond op, liep naar de deur en ging op de gang staan.
Shit, daar ging mijn perfecte logeerweekend. En ik merkte: wat ik zei, hielp haar niet. Zij kon zich niet meer herinneren dat ik haar echt had gevraagd om te kiezen. Of, als ze het zich wel herinnerde, was ze nu zo teleurgesteld en boos dat het van mij nu niet meer kon/mocht.
Ik ging tegenover haar op de grond zitten.
‘Pfft, wat stom van mij, Yente, dat we niet meer mogen picknicken’, zei ik hardop tegen mezelf, met dezelfde boosheid waarmee zij praatte.
Ze keek me even aan.
‘Ja, maar waarom dan niet meer?’ huilde ze.
‘Ja Yente, waarom mag dat niet. Ik vind dat echt stom.’
Ze huilde, maar liep weer de kamer in, naar het bakje kralen op de grond waar ze eerder mee had gespeeld. Met haar vingers begon ze eraan te pulken.
‘Het is echt heel stom’, zei ik.
‘Ja, kan je het knoopje maken?’ zei ze, en ze duwde het touw in mijn handen.
Het voelde op dat moment best een beetje gek om mezelf ‘stom’ te vinden. Maar wat ik zag was dat het haar hielp dat ik de gedachtes uitsprak die zij had. Voor haar was ik even stom. Maar het vroeg van mij meerdere dingen:
- Mij eroverheen te kunnen zetten dat zij echt een keuze had gemaakt die zij zich niet herinnerde of weigerde te erkennen.
- Te erkennen dat ik in haar beleving de boosdoener was, want voor een peuter heeft tijd toch vrij weinig betekenis.
- Haar veiligheid te bieden door het er te laten zijn dat ik stom mocht zijn. Doordat ik het uitsprak, mocht ze dat vinden en kon ze weer toenadering zoeken en zich er weer overheen zetten.
Dat dit me uiteindelijk lukte, want het lukte niet meteen komt door:
- Kennis van welk gedrag bij welke leeftijd en ontwikkeling past. Peuters hebben nog weinig besef van tijd. Ze kunnen dingen vergeten, of iets opeens ‘magisch’ vergeten wanneer de emotie te moeilijk is om te verdragen.
- Vaardigheden om te troosten. Na 11 jaar opvoedervaring heb ik 50+ kinderen begeleid, die elk weer een andere manier van troost nodig hadden.
- Het vermogen om mijn trots opzij te zetten én het geduld te behouden. Dat kwam mede doordat ik wist: over een half uur wordt ze opgehaald, en dan heb ik weer even me-time.
Waar Kohn een ideaal omschrijft, opvoeden vol geduld, liefde en rust, is de werkelijkheid dus dat dat in de praktijk niet altijd haalbaar is. Zelfs wanneer je al zijn genoemde vaardigheden beheerst, lukt het in de stress van het dagelijkse ouderschap niet om die altijd toe te passen.
Ik kan (h)erkennen dat ik het in eerste instantie niet goed oppakte door rationeel te blijven uitleggen. En ik kan ook (h)erkennen dat als dit de zoveelste huilbui was geweest, ik waarschijnlijk niet opnieuw het geduld had gehad om haar emotie zo te begeleiden.
En dat maakt je geen slechte ouder/opvoeder, en je verpest je kind ook niet voor het leven wanneer dat gebeurt. Want wat Kohn nergens benoemt, vind ik juist een van de mooiste en belangrijkste technieken die wij als mensen hebben: reparatie.
Je kunt het niet altijd goed doen, maar of je daarop terugkomt met je kind als dat gebeurt, is de basis voor een vertrouwensband. Reparatie vraagt geen perfecte opvoeder. Het vraagt alleen dat je je kind serieus genoeg neemt om te zeggen: dat ging niet goed, en het spijt me. En juist dáárin voelt een kind, denk ik, die onvoorwaardelijkheid waar Kohn het over heeft. Niet omdat je nooit een grens overgaat, maar omdat je er telkens opnieuw voor kiest om samen op te ruimen wat er tussen jullie gebeurde.
Dat maakt het boek voor mij minder een onbereikbaar ideaal, en meer een richting om steeds naar terug te keren. Juist ook op de momenten wanneer je voelt: dit ging niet goed.
De volgende keer dat mijn nichtje kwam, zijn we samen gaan picknicken. ‘Omdat het de vorige keer niet meer lukte en we ons zo verheugd hadden, dat was toen stom hè?’ ‘Ja’, knikte ze.

In Yente leest duikt Yente Baggen in de opvoedboeken van nu. Van veelbesproken bestsellers tot verborgen pareltjes: ze leest ze, vat de kern samen en deelt eerlijk wat haar aansprak én wat vragen bij haar opriep. Geen kant-en-klare waarheden, maar een nieuwsgierige blik, want geen enkel boek heeft hét antwoord, en juist in de verschillen valt vaak het meeste te leren.
Met 10 jaar opvoedervaring helpt Yente Baggen gezinnen die vastlopen in de alledaagse uitdagingen van het opvoeden. Niet met standaardadviezen, maar door samen te kijken welke behoefte er onder het uitdagende gedrag schuilt. Opvoeden hoef je niet alleen te doen, en met kleine, haalbare stappen kom je van dagelijkse strijd naar meer rust in huis.
Diezelfde praktische, warme blik neemt ze mee in elk boek dat ze bespreekt, en de lessen uit die boeken neemt ze weer mee in haar begeleiding van gezinnen.
Geef een reactie