Ik maak kennis met de ouders van Bram (4). Bram zit nu al een tijdje in de kleuterklas en doet het daar goed. Daar speelt hij leuk mee met zijn klasgenootjes maar thuis speelt hij vluchtig en niet zelfstandig en vraagt de hele tijd of zijn ouders mee komen spelen of ander speelgoed uit de kast pakken. Ze worden er doodmoe van.
Ik kom een middagje op bezoek en Bram vraagt meteen of ik mee kom spelen. Op de grond staan allemaal bakken duplo, figuurtjes en andere blokken. Bram heeft samen met zijn ouder ook al een hele stad gebouwd die hij mij laat zien. We bouwen even samen maar ik zie hem er niet echt in opgaan en al snel loopt hij naar de gang en komt hij terug met een poppenwagen. Hij rijdt de wagen naar de keuken om aan zijn ouder te laten zien. Die reageert ‘Oh de baby slaapt, stop je hem in Bram?’ Bram knikt, loopt nog één rondje door de kamer en laat hem daarna midden in de kamer staan.
Bram vraagt om zijn ridderpak van zijn kamer. Ouder en Bram lopen naar zijn slaapkamer en Bram komt verkleed terug. Hij glimlacht breed als ouder en ik zeggen hoe cool hij eruit ziet. Ouder roept ook ‘Oh ga je een draak verslaan.’ Bram knikt maar na een paar minuten trekt hij het ridderpak weer uit en gaat naar zijn ouder in de keuken.
Een week later spreek ik Brams ouders. Ik vertel hoe leuk het was met Bram, dat ik het zo bijzonder vond dat hij mij meteen uitnodigde om mee te spelen ook al kenden we elkaar pas net. In het samenspel herkende ik de beschrijving van Brams ouders. Hij had ontzettend veel speelgoed tot zijn beschikking en speelde er maar heel kort mee voordat hij weer naar iets anders ging. Ouders geven eigen voorbeelden waaronder de dag dat ik op bezoek kwam en Bram en ouder lang die stad aan het bouwen waren. Maar vertelt een van zijn ouders ‘Eigenlijk heb ik alles gemaakt en zat Bram er maar een beetje bij.’
Mijn analyse
Kinderen hebben behoefte om op te gaan in hun spel. Het ene kind vindt dat makkelijk en het andere moeilijk. Bram lijkt te stokken in zijn spel en zoekt dan sturing bij een volwassene. Hij gaat dan naar de keuken om jou op te zoeken. Jij wil hem helpen verder te spelen dus reageert zoals: ‘oh de baby slaapt, stop je hem in Bram?’ of ‘Oh ga je een draak verslaan?’ En jou enthousiasme helpt hem wel even door te spelen, hij loopt nog even door met de poppenwagen of hij houdt het ridderpak nog even aan. Maar het helpt niet structureel tot echt langer spel
Want hoe jij op Bram spel reageert is fantasie spel. En sommige kinderen houden heel erg van fantasiespel, maar dat is wel heel gevorderd en moeilijk spel. Misschien nog te moeilijk voor Bram óf vindt hij heel ander spel leuker.
Samen in gesprek
Brams ouders zijn verbaasd maar herkennen zichzelf hierin. Juist door zo ‘mee te gaan’ in Brams spel denken ze hem uit te lokken. En tegelijkertijd zien ze ook dat hij er niet in op gaat.
Ik benadruk nogmaals dat dit normaal is en dat niet elke vierjarige fantasie spel leuk vindt. Of Bram gaat het later leuk vinden maar vindt nu ander spel leuker.
We bespreken ook de hoeveelheid speelgoed die Bram tot zijn beschikking heeft. Toegang tot het vele speelgoed zorgt voor de mogelijkheid tot steeds opnieuw kiezen. En het speelgoed wat er ligt, is vooral fantasie speelgoed of wordt daarvoor gebruikt. Zoals bijvoorbeeld de duplo die gebruikt wordt voor het bouwen van een stad.
Samen komen we tot de vraag: wat voor een speelgoed vindt Bram eigenlijk leuk om mee te spelen? Ouders vertellen geen kind aan Bram hebben als ze met hem buiten zijn. Dan kan hij zichzelf uren vermaken en als ze dan mee spelen is er echt samen spel. Ze gooien samen een balletje over of klimmen samen in bomen.
Verder is het spelen thuis vooral zo vluchtig en niet zelfstandig als Bram uit school komt. In de weekenden is het al wat minder. Waarschijnlijk is Bram dan moe. Hij vindt lang alleen spelen al lastig dus zoekt hij dan helemaal vaak contact en nieuw speelgoed.
Door dit samen op een rijtje te zetten, komen we samen met een doel om aan te werken.
Bram moet eerst leren binnen langer te spelen met hulp van een ouder. Pas daarna kunnen we werken aan zelfstandig spel.
Daarop maken we een plan en kijken we naar drie dingen:
Dagstructuur: Als ouder Bram uit school haalt, krijgt Bram wat te eten in de auto en rijden ze naar een speelplek buiten. Thuis gaan ze eerst samen aan tafel zitten, gaan ze weer wat samen eten en is er contact. Daarna mag hij gaan spelen.
Omgeving: Ouders experimenteren met ander speelmateriaal binnen om te onderzoeken wat Bram leuk vindt: bouwmateriaal, sensorische, knutselen, bakken, beweegspeelgoed etc. Ouders beperken de hoeveelheid speelgoed, als Bram vraagt om bepaald speelgoed zeggen ze ‘dit is het speelgoed waarmee je nu kan spelen.’
Interactie: Als Bram ouder uitnodigt tot spel sluit ouder aan door Brams handelingen te benoemen: ‘Oh je duwt de wagen door het huis.’ Of ‘Je kiest alle blauwe blokken eerst. Ik ben benieuwd welke kleur je hierna kiest.’
De week erna kom ik langs. Ouders zijn helemaal energiek. Ze ervaren meer regie terwijl het voorheen voelde alsof ze Bram alleen maar moesten volgen om hem te helpen in zijn spel. Nu kiezen zij de locatie waar ze na school naar toe gaan en wat voor een speelgoed er is. En Bram vindt dat ook fijn. Hij gaat helemaal op in zijn buitenspel en is dus al vervuld als hij thuis komt. Thuis lukt het dan ook om wat langer samen te spelen met een soort speelgoed.
Na een maand kom ik weer langs als Bram thuis is. Samen met Bram en ouder spelen we met z’n drieeën en observeer ik ondertussen hoe het gaat. En ook houden we app contact.
Na drie maanden kom ik als afsluiting voor het laatst langs. Ik praat met ouders aan tafel terwijl Bram op de vloer zelf speelt met magnatiles.
Geef een reactie